In de middeleeuwen was de markt heel erg belangrijk. Eerst ontmoeten handelaren elkaar op een bepaald punt. Daar gingen ze handelen. Later ontstonden er daar markten. Op een markt handelde de mensen. Ook ruilde ze dingen. De markt was er ongeveer 2 of 3 keer per week. Door de markten gingen steeds meer mensen op het zelfde punten wonen. Daardoor ontstonden er steden. de steden kon je goed herkennen. Omdat het oorlog was hadden ze stadsmuur. De stadsmuur beschermde het dorp tegen de vijanden. Ook waren er grachten in steden. Die waren er ook om het dorp te beschermen. In de steden had elk dorp een marktplein. Op de marktplein stond er een kerk en een fontein. In 500/600 viel het West-Romeinse rijk. Omdat het economisch slechter ging met het rijk, werd de handel minder. Het rijk werd armer. Er kwamen oorlogen en mensen probeerde stukken grond af te pakken. Na de val wouden verschillende stammen een groot gebied voor zichzelf. Omdat er bijna geen handel meer was gingen veel mensen op het platteland wonen. Ze kweekten hun eigen eten. De oorlogen gingen weg. Het was nu veilig in het rijk. Met de boeren ging het goed, de oogsten werden steeds groter. Daardoor groeide de bevolking en hoefde niet iedereen meer in de landbouw te werken. Sommige mensen kregen een beroep zoals: slager, kleermaker en bakkers. Ook kwam er een leenheer die leende een stuk land aan leenmannen. De leenmannen leende het weer uit aan achterleenmannen. Dat was niet gratis ze moesten voor de leenheer werken en belasting geld betalen.
 

(Kiki)

Bronnen:
ELO
http://nl.wikipedia.org/wiki/Middeleeuwen

http://nl.wikipedia.org/wiki/Vroege_middeleeuwen

Maak jouw eigen website met JouwWeb